ECLI:NL:CRVB:2014:772
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herziening en terugvordering AOW-pensioen wegens gezamenlijke huishouding
Appellant ontvangt sinds 1993 een AOW-pensioen voor een ongehuwde. In februari 2011 en opnieuw in februari 2012 meldt appellant aan de Sociale verzekeringsbank (Svb) dat hij samenwoont met een ander persoon, wat blijkt uit een uittreksel van het bevolkingsregister. De Svb herziet daarop het pensioen met terugwerkende kracht vanaf april 2010 naar de gehuwdennorm en vordert het te veel betaalde bedrag van €7.674,89 terug.
Appellant maakt bezwaar tegen deze besluiten en stelt dat er slechts sprake was van tijdelijke inwoning en geen gezamenlijke huishouding. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en oordeelt dat de Svb terecht heeft gehandeld. De Centrale Raad van Beroep toetst het beleid van de Svb, dat terugkomt op besluiten met terugwerkende kracht mogelijk maakt tenzij bijzondere omstandigheden zich voordoen.
De Raad concludeert dat appellant zelf heeft gemeld samen te wonen en dat er sprake is van een gezamenlijke huishouding, geen tijdelijke situatie. De Svb heeft haar beleid consistent toegepast en appellant had kunnen begrijpen dat zijn pensioen te hoog werd toegekend. De Raad bevestigt daarom het bestreden besluit en verklaart het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening en terugvordering van het AOW-pensioen wegens gezamenlijke huishouding vanaf april 2010.