Appellant, een heftruckchauffeur die sinds 2002 arbeidsongeschikt is, vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV weigerde deze omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht. De rechtbank benoemde een deskundige die aanvullende beperkingen constateerde, maar oordeelde dat appellant geschikt was voor de geduide functies en verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep stelde appellant dat de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) onjuist was opgesteld, met name met betrekking tot beperkingen bij traplopen en klimmen. Het UWV stelde dat de FML correct was en dat de functies passend waren. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de motivering van het bestreden besluit in eerste aanleg onvoldoende was, waardoor dit besluit en de uitspraak van de rechtbank werden vernietigd, maar dat de rechtsgevolgen van het besluit in stand blijven.
Het beroep tegen het besluit van 11 januari 2013 werd ongegrond verklaard. De Raad veroordeelde het UWV tot vergoeding van de proceskosten van appellant en tot vergoeding van de betaalde griffierechten. De uitspraak werd gedaan door J.S. van der Kolk op 26 februari 2014.