ECLI:NL:CRVB:2014:783

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
11 maart 2014
Publicatiedatum
11 maart 2014
Zaaknummer
13-3588 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbWet werk en bijstand
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging dat brief geen besluit is en bezwaar niet-ontvankelijk verklaard

Appellante ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand en kreeg een brief van het college waarin afspraken over sollicitatieverplichtingen werden bevestigd. Appellante maakte bezwaar tegen deze brief, maar het college verklaarde dit bezwaar ongegrond omdat de brief geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht was.

De rechtbank verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk en vernietigde het bestreden besluit. Appellante ging in hoger beroep en stelde dat zij nooit een reële kans op werk had gekregen en dat de Dienst werk en inkomen haar psychisch had mishandeld.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de brief slechts een bevestiging van afspraken was en niet gericht op rechtsgevolgen, waardoor het geen besluit was waartegen bezwaar mogelijk is. Daarom kon het bezwaar niet-ontvankelijk worden verklaard en werd het hoger beroep afgewezen.

De Raad bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank en wees het beroep van appellante af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het bezwaar tegen de brief wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat de brief geen besluit is.

Uitspraak

13/3588 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 4 juni 2013, 13/516 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)
PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 januari 2014. Appellante is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Mulders.

OVERWEGINGEN

1.
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellante ontving vanaf 24 januari 2008 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand naar de norm voor een alleenstaande. Bij brief van 6 november 2012 heeft het college aan appellante meegedeeld, met verwijzing naar de algemene arbeidsverplichtingen van appellante, dat met haar is afgesproken dat zij vanaf 6 november 2012 minimaal vier keer per maand solliciteert, meedoet aan activiteiten die haar helpen om haar kans op werk te vergroten en op zoek gaat naar vrijwilligerswerk.
1.2.
Bij besluit van 20 december 2012 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellante tegen de in 1.1 genoemde brief ongegrond verklaard.
2.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het bezwaar van appellante niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat het bezwaar niet gericht was tegen een besluit in de zin van artikel 1:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3.
Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Zij heeft, samengevat, aangevoerd het niet eens te zijn met de inhoud van de brief van 6 november 2012 en betoogt nooit een kans te hebben gekregen van de Dienst werk en inkomen (DWI) om ingeschakeld te worden in de arbeid. Appellante heeft nooit een aanbod voor een traject gehad en heeft ten onrechte geen sollicitatiecursus mogen doen. De DWI heeft appellante psychisch mishandeld en vernederd en de DWI moet worden vervangen door een ander bestuursorgaan dat haar wel een kans op werk kan bieden. Appellante begrijpt niet waarom haar bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard.
4.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De rechtbank kan worden gevolgd in haar oordeel dat de brief van 6 november 2012 niet kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb waartegen bezwaar kan worden gemaakt. De brief strekte er slechts toe om gemaakte afspraken te bevestigen en appellante te herinneren aan voor haar al geldende verplichtingen, en was daarom niet gericht op enig rechtsgevolg. Dit betekent dat de Raad niet inhoudelijk kan ingaan op het standpunt van appellante dat de inhoud van de brief niet overeenkomt met dat wat op 6 november 2012 is besproken tijdens haar gesprek met de klantmanager en evenmin op wat appellante heeft aangevoerd over de handelwijze van de DWI.
4.2.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de rechtbank terecht het bezwaar tegen de brief van 6 november 2012 niet-ontvankelijk heeft verklaard.
4.3.
Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.
5.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen , in tegenwoordigheid van P.C. de Wit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2014.
(getekend) C. van Viegen
(getekend) P.C. de Wit

HD