ECLI:NL:CRVB:2014:786
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A.B.J. van der Ham
- J.F. Bandringa
- G.M.G. Hink
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstand wegens schending inlichtingenverplichting en onduidelijkheid over geldstromen
Appellanten ontvingen vanaf mei 2009 bijstand, maar het college trok deze in per 15 maart 2010 wegens schending van de inlichtingenverplichting. Dit volgde op een melding dat appellant grote contante betalingen deed om een arrestatie te voorkomen, waarna een onderzoek werd ingesteld.
Het college stelde vast dat appellanten geen informatie verstrekten over geldleningen van €37.000,- en kasstortingen van €227.000,- op de bankrekening van appellant, evenals een bankrekening in Marokko met een tegoed van circa €100.000,-. Appellanten stelden dat het ging om geoormerkte giften en dat het vermogen negatief was bij aanvang van de bijstand.
De Raad oordeelde dat appellanten onvoldoende aannemelijk maakten dat de bedragen niet tot hun middelen behoorden. Er was geen bewijs van de herkomst van de stortingen en onduidelijkheid over het beslag op de Marokkaanse rekening. Hierdoor kon het college niet vaststellen of appellanten recht hadden op bijstand.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek tot schadevergoeding afgewezen. De Raad bevestigde daarmee de eerdere uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wordt bevestigd vanwege schending van de inlichtingenverplichting en onduidelijkheid over ontvangen geldbedragen.