ECLI:NL:CRVB:2014:800
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding
Appellante ontving bijstand vanaf 2007 en kreeg vanaf 2010 een inkomensvoorziening op grond van de Wet investeren in jongeren. Het college stelde na een fraudepreventief onderzoek vast dat appellanten vanaf september 2008 een gezamenlijke huishouding voerden en trok de bijstand over deze periode in, met terugvordering van te veel ontvangen bedragen.
De rechtbank verklaarde de beroepen van appellanten ongegrond, waarbij zij vooral waarde hechtte aan verklaringen van buurtbewoners en observaties van de sociale recherche. Appellanten voerden in hoger beroep aan dat deze verklaringen niet doorslaggevend mochten zijn en dat er onvoldoende bewijs was voor gezamenlijk hoofdverblijf.
De Centrale Raad onderschreef de waardering van de rechtbank en vond de verklaringen consistent en voldoende onderbouwd, ondanks dat sommige getuigen zich minder stellig uitlieten voor de rechter-commissaris. De Raad oordeelde dat er sprake was van gezamenlijk hoofdverblijf op de betrokken adressen en verwierp de beroepen van appellanten.
De Raad wees ook op inconsistenties in de verklaringen van appellanten zelf en concludeerde dat het college terecht de bijstand introk en terugvorderde. De uitspraak bevestigt de eerdere beslissingen van de rechtbank en er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellanten gezamenlijk hoofdverblijf hadden en wijst de beroepen tegen intrekking en terugvordering van bijstand af.