Uitspraak
OVERWEGINGEN
BESLISSING
en oktober 2011 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het deel van het
Centrale Raad van Beroep
Appellante ontving aanvullende bijstand naast haar ouderdomspensioen. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) stelde na onderzoek vast dat appellante sinds 2006 diverse inkomsten ontving, waaronder kasstortingen en lijfrente-uitkeringen, en trok daarop de bijstandsaanvulling in voor de periode juli 2006 tot oktober 2011. Tevens vorderde de Svb de bijstandskosten terug.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze besluiten gegrond en vernietigde het bestreden besluit, omdat de Svb de inkomsten onjuist op jaarbasis had toegerekend in plaats van op maandbasis. De Svb nam een nieuw besluit (nader besluit) dat opnieuw werd aangevochten.
In hoger beroep stelde appellante dat de ontvangen bedragen leningen waren en dus niet als middelen in de zin van de WWB moesten worden beschouwd. De Raad oordeelde dat appellante deze stelling onvoldoende onderbouwde met concrete en verifieerbare stukken. Zelfs zonder de bedragen die mogelijk leningen waren, ontving appellante in de betreffende maanden middelen boven de bijstandsnorm.
De Raad bevestigde daarom de eerdere uitspraak van de rechtbank en vernietigde het nader besluit voor zover het de intrekking en terugvordering over september en oktober 2011 betrof. De Svb werd opgedragen een nieuwe beslissing te nemen, waarbij een bestuurlijke lus niet noodzakelijk werd geacht. Tevens werden de kosten van appellante aan de Svb opgelegd.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand over september en oktober 2011 wordt vernietigd en de Svb moet een nieuwe beslissing nemen.