Uitspraak
en 8:108, eerste lid, in verbinding met artikel 8:119 van Pro de Algemene wet bestuursrecht,
op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van
22 februari 2013, 12/3545
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
De Centrale Raad van Beroep behandelde het verzoek tot herziening van een eerdere uitspraak van 22 februari 2013 betreffende een geschil tussen verzoekster en de Sociale verzekeringsbank. Verzoekster diende een verzetschrift in, maar dit was niet binnen de wettelijke termijn van zes weken ingediend.
Verzoekster gaf aan dat de termijnoverschrijding te wijten was aan haar afhankelijkheid van derden voor administratieve handelingen sinds het overlijden van haar man, haar analfabetisme, chronische aandoeningen en de vertraging in postverkeer tussen Marokko en Nederland. De Raad oordeelde echter dat niet aannemelijk was gemaakt dat verzoekster buiten haar macht stond om tijdig het verzetschrift in te dienen.
Er waren geen feiten of omstandigheden die de termijnoverschrijding konden rechtvaardigen of verzoekster konden vrijwaren van de gevolgen daarvan. Daarom werd het verzet niet-ontvankelijk verklaard. Tevens werd geen veroordeling in proceskosten opgelegd.
Uitkomst: Het verzet is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-tijdige indiening van het verzetschrift.