ECLI:NL:CRVB:2014:871
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens schending inlichtingenverplichting bij onderverhuur
Appellant ontvangt sinds 1 april 2008 bijstand en is ingeschreven op een adres te Utrecht. Na een melding over onderverhuur aan Oost-Europeanen startte de gemeente Utrecht een onderzoek, inclusief dossieronderzoek, huisbezoek en het opvragen van processen-verbaal. Het college besloot de bijstand over de periode 1 mei 2010 tot en met 11 oktober 2010 in te trekken en €4.711,19 terug te vorderen wegens het niet melden van onderverhuur en inkomsten.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. Appellant voerde in hoger beroep aan dat er geen sprake was van onderverhuur en betwistte de verklaringen van getuigen. De Raad oordeelde dat de verklaringen van K en M, samen met politieprocessen-verbaal en aangetroffen bewijs in de woning, een toereikende grondslag vormen voor het standpunt van het college.
Appellant kon geen aannemelijke verklaring geven voor de aanwezigheid van Oekraïense paspoorten en andere persoonlijke spullen in zijn woning. Hij slaagde er niet in aannemelijk te maken dat hij recht had op bijstand indien hij wel aan zijn inlichtingenverplichting had voldaan. Ook het subsidiaire beroep op gedeelde woonlasten en toeslag werd verworpen.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt daarom de uitspraak van de rechtbank en wijst het hoger beroep af. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand wegens schending van de inlichtingenverplichting door onderverhuur.