Uitspraak
2 augustus 2012, 12/104 (aangevallen uitspraak)
OVERWEGINGEN
BESLISSING
P. Uijtdewillegen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2014.
Centrale Raad van Beroep
Appellant vroeg bijstand aan en gaf daarbij een adres op als hoofdverblijf. Het dagelijks bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst (ISD) Noordenkwartier voerde een onderzoek uit naar zijn woon- en leefsituatie. Ondanks meerdere pogingen was appellant niet altijd thuis bij huisbezoeken en gaf hij geen huurcontract of andere zakelijke afspraken over zijn verblijf bij zijn tante.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen de afwijzing van de bijstand ongegrond. In hoger beroep betwistte appellant de bevindingen en stelde dat hij wel feitelijk op het opgegeven adres verbleef. Hij voerde aan dat hij weinig eigendommen had en dat het onderzoek niet zorgvuldig was uitgevoerd.
De Raad oordeelde dat appellant onvoldoende bewijs had geleverd voor zijn hoofdverblijf op het opgegeven adres in de beoordelingsperiode. De vastgestelde feiten door het dagelijks bestuur, waaronder het beperkte aantal persoonlijke eigendommen en het niet verschijnen op afspraken, werden niet effectief betwist. Appellant gaf ook geen gehoor aan de oproep om te verschijnen bij de zitting, waardoor hij geen gelegenheid kreeg zijn stellingen toe te lichten.
Daarom werd het hoger beroep afgewezen en de eerdere uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de bijstandsaanvraag wegens onvoldoende bewijs van hoofdverblijf op het opgegeven adres.