ECLI:NL:CRVB:2014:90
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit garantietoeslag voormalige eenoudergezinnen wegens strijd met Awb
Appellante verzocht om algemene bijstand, garantietoeslag voormalige eenoudergezinnen en langdurigheidstoeslag over verschillende perioden. Het college wees de aanvragen grotendeels af, onder meer omdat appellante in een deel van de referteperiode beschikte over middelen boven de bijstandsnorm en geen bijzondere omstandigheden waren aangetoond voor terugwerkende kracht.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond voor de langdurigheidstoeslag vanaf 22 maart 2010 en 2011, maar wees de rest af. In hoger beroep betoogde appellante dat het college rekenfouten had gemaakt en dat bijzondere omstandigheden bestonden voor terugwerkende kracht.
De Raad oordeelde dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden waren die een inhoudelijke heroverweging rechtvaardigden en bevestigde de afwijzing van algemene bijstand en langdurigheidstoeslag. Wel vernietigde de Raad het besluit omtrent de garantietoeslag omdat de rechtbank en het college niet hadden onderkend dat appellante recht had op bijstand in een deel van de periode waarop de garantietoeslag betrekking heeft.
De Raad stelde echter vast dat appellante geen aanspraak kon maken op de garantietoeslag omdat zij op het moment dat haar jongste kind 18 werd geen bijstand ontving, zoals vereist volgens gemeentelijke beleidsregels. De rechtsgevolgen van het vernietigde besluit blijven in stand. Het college werd veroordeeld in de proceskosten en het betaalde griffierecht werd aan appellante vergoed.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit over garantietoeslag wordt vernietigd, terwijl de afwijzing van algemene bijstand en langdurigheidstoeslag wordt bevestigd.