ECLI:NL:CRVB:2014:901
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- E.C.R. Schut
- P.W. van Straalen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens niet-woonachtig op uitkeringsadres
Appellant ontving sinds 2007 bijstand van het college van burgemeester en wethouders van Leidschendam-Voorburg. Na constatering van pintransacties buiten het opgegeven uitkeringsadres ontstond het vermoeden dat appellant niet meer op dat adres woonde. Een onderzoek door de sociale recherche, inclusief huisbezoeken, observaties en verklaringen van buurtbewoners, leidde tot het besluit de bijstand met terugwerkende kracht in te trekken en terug te vorderen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij op het uitkeringsadres woonde en dat hij geen objectieve gegevens had overgelegd ter ondersteuning van zijn stellingen. In hoger beroep voerde appellant aan wel op het uitkeringsadres te wonen en dat er dringende redenen waren om af te zien van intrekking en terugvordering.
De Raad stelde vast dat appellant geen woonplaats had op het uitkeringsadres en ook niet elders in de gemeente, mede gelet op het ontbreken van persoonlijke spullen bij huisbezoek, het aantal gekochte treinkaartjes en verklaringen van meerdere buren. Het enkele positieve buurverklaring woog niet op tegen het overige bewijs. Er waren geen dringende redenen of bijzondere omstandigheden om van het beleid af te wijken.
Daarom bevestigde de Centrale Raad van Beroep de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de intrekking en terugvordering van bijstand wordt bevestigd.