ECLI:NL:CRVB:2014:920
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- F. Hoogendijk
- G.M.G. Hink
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlaging bijstand wegens weigering algemeen geaccepteerde arbeid
Appellanten ontvangen sinds 1 juli 2010 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). In juli 2011 weigerde appellante een werkaanbod als gastvrouw in een garagebedrijf, waarna het college de bijstand voor de duur van één maand met 100% verlaagde wegens het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze verlaging ongegrond. Zij oordeelde dat appellante onvoldoende concrete aanwijzingen had geleverd dat zij vanwege haar Koerdische afkomst of het feit dat het garagebedrijf uitsluitend Turkse mannen als collega’s had, de functie niet kon aanvaarden. Ook de stelling dat zij vreesde onheus bejegend te worden, was onvoldoende onderbouwd.
In hoger beroep voerden appellanten aan dat de maatregel disproportioneel was en dat de vrees voor onheus bejegenen niet serieus was genomen. De Raad onderschreef echter het oordeel van de rechtbank dat appellante verwijtbaar heeft gehandeld door het werkaanbod te weigeren zonder zwaarwegende redenen. De opgelegde maatregel was proportioneel en in overeenstemming met de toepasselijke regelgeving.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt daarom de verlaging van de bijstand en wijst het hoger beroep af. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De verlaging van de bijstand voor één maand wegens weigering van algemeen geaccepteerde arbeid wordt bevestigd.