ECLI:NL:CRVB:2014:923
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- F. Hoogendijk
- G.M.G. Hink
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstand wegens gezamenlijke huishouding en schending inlichtingenplicht
Appellante ontving bijstand als alleenstaande moeder, maar het college van burgemeester en wethouders van Utrecht trok deze bijstand in wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding met de vader van haar kinderen, [S.], zonder dit te melden. Dit volgde op anonieme meldingen en een onderzoek met observaties, een onaangekondigd huisbezoek en een verhoor.
De Raad oordeelde dat appellante en [S.] hun hoofdverblijf hadden op hetzelfde adres, wat werd bevestigd door verklaringen, persoonlijke bezittingen van [S.] in de woning, en het feit dat hij regelmatig aanwezig was. De stelling van appellante dat [S.] niet op dat adres woonde maar slechts incidenteel verbleef, werd onvoldoende onderbouwd.
De Raad verwierp ook het argument dat bijzondere omstandigheden zoals zorg voor de kinderen het samenwonen zouden rechtvaardigen zonder gezamenlijke huishouding. Door het niet melden van de gezamenlijke huishouding schond appellante haar inlichtingenplicht, waardoor het college bevoegd was de bijstand in te trekken. Het beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wegens gezamenlijke huishouding en schending van de inlichtingenplicht wordt bevestigd.