Uitspraak
V.A.R. Kali.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, laatstelijk werkzaam als puntlasser, meldde zich ziek met rugklachten en ontving een loongerelateerde WGA-uitkering wegens 40,13% arbeidsongeschiktheid. Het UWV verklaarde het bezwaar van appellant tegen deze uitkering ongegrond. De rechtbank oordeelde dat de medische beoordeling door verzekeringsartsen zorgvuldig en juist was en dat de beperkingen van appellant niet te licht waren ingeschat.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij niet in staat was de geselecteerde functies te vervullen en dat het rapport van medisch adviseur Thissen, die hem niet persoonlijk onderzocht had, meer gewicht verdiende. Tevens verzocht hij om benoeming van een onafhankelijke deskundige.
De Raad concludeerde dat het rapport van Thissen onvoldoende gewicht had omdat het gebaseerd was op dossieronderzoek zonder persoonlijk onderzoek. De bezwaarverzekeringsarts had de beperkingen adequaat gemotiveerd en er was geen medische noodzaak voor de door appellant aangegeven rustbehoefte. De Raad zag geen aanleiding voor een onafhankelijk medisch onderzoek en bevestigde dat de geselecteerde functies passend zijn.
Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.