ECLI:NL:CRVB:2014:961
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens schending inlichtingenverplichting bij autotransacties
Appellant ontving bijstand op grond van de WWB sinds 2002. Het bestuur stelde een onderzoek in na een melding dat appellant meerdere auto's op zijn naam had en deze exporteerde. Op basis van dit onderzoek werd bijstand over diverse perioden ingetrokken en teruggevorderd wegens schending van de inlichtingenverplichting.
Appellant voerde aan dat hij geen inkomsten had behaald met de transacties en dat de auto's voor vrienden en familie waren gekocht zonder winstoogmerk. De Raad constateerde echter dat de kentekenregistraties van de RDW aantoonden dat de auto's kortstondig op naam van appellant stonden en dat volgens vaste rechtspraak het aannemelijk is dat transacties hebben plaatsgevonden waarbij appellant inkomsten heeft kunnen verwerven.
De Raad oordeelde dat appellant redelijkerwijs had moeten begrijpen dat deze transacties relevant waren voor de bijstandsverlening en dat het niet melden hiervan de inlichtingenverplichting schond. Het bestuur was daarom bevoegd de bijstand in te trekken en terug te vorderen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van bijstand bevestigd.