Appellante was werkzaam als cateringmedewerkster en ontving een Ziektewet-uitkering wegens spier-, pees- en gewrichtsklachten. Het UWV verklaarde haar per 27 juni 2011 hersteld en beëindigde de uitkering. Appellante maakte bezwaar, dat werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarbij werd aangenomen dat zwaar rugbelastende arbeid niet passend was, maar dat haar belastbaarheid niet werd overschreden.
In hoger beroep stelde appellante dat het UWV een onjuiste maatstaf voor haar arbeid hanteerde, namelijk die van leidinggevende cateringmedewerker, terwijl zij voltijds als cateringmedewerkster op een eenmanslocatie werkte. De Raad stelde vast dat het UWV onterecht de leidinggevende functie als maatstaf nam en dat deze onjuiste maatstaf tot vernietiging van het besluit en de uitspraak leidde.
De medische rapporten bevestigden dat appellante geschikt was voor haar eigen werk op een eenmanslocatie, ondanks niet-objectiveerbare klachten. De Raad vond geen reden om het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts te verwerpen dat de fysiek belastende aspecten van haar werk haar belastbaarheid niet te boven gingen.
De Raad vernietigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand. Tevens veroordeelde de Raad het UWV tot vergoeding van de proceskosten van appellante.