ECLI:NL:CRVB:2014:979
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging ziekengeld wegens geschiktheid voor arbeid ondanks knieklachten
Appellant, voorheen onderhoudstimmerman, meldde zich ziek wegens knieklachten terwijl hij een WW-uitkering ontving. Het UWV besloot dat appellant per 8 november 2011 geschikt was om zijn werk te verrichten en beëindigde het ziekengeld. Appellant maakte bezwaar en het UWV verklaarde dit ongegrond, waarna de rechtbank het beroep van appellant eveneens ongegrond verklaarde.
Appellant voerde aan dat zijn knieklachten en pijn hem ongeschikt maakten voor de zware fysieke arbeid, en dat de rechtbank ten onrechte geen rekening hield met zijn klachten en behandeling. De Raad stelde vast dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat geen objectieve beperkingen waren vastgesteld die ongeschiktheid rechtvaardigen.
De bezwaarverzekeringsarts concludeerde dat appellant zijn werkzaamheden kon verrichten, mede gezien een longfunctieonderzoek en een orthopedisch onderzoek zonder afwijkingen. Ook de aanvullende medische stukken in hoger beroep boden geen onderbouwing voor ongeschiktheid. De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank en het UWV en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit tot beëindiging van het ziekengeld wordt bevestigd.