ECLI:NL:CRVB:2015:1055

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
20 maart 2015
Publicatiedatum
3 april 2015
Zaaknummer
13-1933 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:119 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om herziening van bestuursrechtelijke WAO-uitspraak niet-ontvankelijk wegens onredelijke termijn

Verzoeker heeft bij brief van 10 april 2013 verzocht om herziening van een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 28 maart 2012 betreffende een afwijzing van een WAO-uitkering. Het verzoek werd behandeld op zitting op 27 februari 2015, waarbij verzoeker niet verscheen.

De Raad overweegt dat op grond van artikel 8:119 Awb Pro een herzieningsverzoek slechts mogelijk is indien nieuwe feiten of omstandigheden vóór de uitspraak hebben plaatsgevonden, deze niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn bij de indiener, en indien deze feiten tot een andere uitspraak zouden kunnen leiden. Tevens stelt de Raad dat een verzoek om herziening in het belang van de rechtseenheid niet onredelijk laat mag worden ingediend, doorgaans binnen één jaar na bekendwording van de nieuwe feiten of na openbaarmaking van de uitspraak.

In deze zaak zijn de medische verklaringen die als nova zijn aangevoerd van vóór de oorspronkelijke uitspraakdatum en is niet gesteld of gebleken dat verzoeker deze minder dan een jaar voor het verzoek heeft ontdekt. Daarom is het verzoek onredelijk laat ingediend en wordt het niet-ontvankelijk verklaard. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzoek om herziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens onredelijke termijnoverschrijding.

Uitspraak

13/1933 WAO
Datum uitspraak: 20 maart 2015
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 28 maart 2012, 11/633 WAO
Partijen:
[Verzoeker] te [woonplaats], Marokko (verzoeker)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Verzoeker heeft bij een op 10 april 2013 door de Raad ontvangen brief verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 28 maart 2012, 11/633 WAO, ECLI:NL:CRVB:2012:BW0190.
Het Uwv heeft op dit verzoek om herziening gereageerd.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 februari 2015. Verzoeker is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J. van Dalfsen.

OVERWEGINGEN

1.1.
Bij besluit van 10 oktober 1996 heeft het Uwv geweigerd verzoeker een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering toe te kennen. Bij besluit van
6 november 2009 heeft het Uwv afwijzend beslist op een verzoek van verzoeker om het besluit van 10 oktober 1996 te herzien. Het door verzoeker tegen dat besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 5 januari 2010 ongegrond verklaard.
1.2.
Het door verzoeker tegen het besluit van 5 januari 2010 ingestelde beroep is door de rechtbank Amsterdam bij uitspraak van 21 december 2010, 10/447, ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 28 maart 2012, waarvan nu herziening wordt gevraagd, heeft de Raad deze uitspraak bevestigd.
2. Ingevolge artikel 8:119, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten en omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak;
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren ze bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
3.
De Raad oordeelt als volgt.
3.1.1.
Gelet op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 januari 2015, nr. 201407367/2/A4, ECLI:NL:RVS:2015:310, en het arrest van de Hoge Raad van 20 februari 2015, nr. 14/05686, ECLI:NL:HR:2015:357, moet in het belang van de rechtseenheid voorop worden gesteld dat van degene die om herziening vraagt van een uitspraak mag worden verlangd dat hij niet onredelijk lang wacht met de indiening van dat verzoek. Een onredelijk laat ingediend herzieningsverzoek moet niet-ontvankelijk worden verklaard.
3.1.2.
Een verzoek om herziening wordt in de regel geacht onredelijk laat te zijn ingediend, indien het verzoek is ingediend meer dan één jaar nadat de indiener bekend is geworden met de daarin gestelde nova dan wel, indien geen nova zijn gesteld, na de datum van openbaarmaking van de uitspraak waarvan herziening wordt verzocht.
3.1.3.
De hiervoor in 3.1.2 geformuleerde regel geldt niet voor het indienen van een verzoek om herziening van een uitspraak over een bestuurlijke boete. Een dergelijk verzoek is niet aan de in 3.1.2 vermelde termijn van één jaar gebonden.
3.2.
In deze zaak, die geen betrekking heeft op een uitspraak over een bestuurlijke boete, is het herzieningsverzoek slechts onderbouwd met medische verklaringen die dateren van ver vóór de datum van openbaarmaking van de uitspraak waarvan herziening wordt verzocht. Nu gesteld noch gebleken is dat verzoeker eerst minder dan een jaar voor de datum van indiening van het herzieningsverzoek bekend is geworden met deze verklaringen, moet worden geoordeeld dat het verzoek om herziening onredelijk laat is ingediend.
3.3.
Gelet op 3.1.1 tot en met 3.2 moet het voorliggende herzieningsverzoek niet-ontvankelijk worden verklaard.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzoek niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries, in tegenwoordigheid van B. Fotchind als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2015.
(getekend) T.L. de Vries
(getekend) B. Fotchind

MK