ECLI:NL:CRVB:2015:1066

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
7 april 2015
Publicatiedatum
8 april 2015
Zaaknummer
13-4148 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • R.H.M. Roelofs
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 35, eerste lid, WWBArt. 11, eerste lid, WWB
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering bijzondere bijstand voor legeskosten woningurgentieverklaring

Appellant ontving bijstand op grond van de WWB en vroeg bijzondere bijstand aan voor legeskosten van een woningurgentieverklaring. Het college wees dit verzoek af omdat appellant de kosten al had voldaan op het moment van aanvraag.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat uit de kassabon bleek dat de legeskosten reeds betaald waren voordat de aanvraag werd ingediend. De Raad onderschrijft dit oordeel en verwijst naar vaste rechtspraak dat bijzondere bijstand niet wordt toegekend voor kosten die al zijn voldaan.

Appellant stelde dat hij genoodzaakt was direct te betalen, maar kon niet aannemelijk maken dat hij eerder een aanvraag had kunnen doen. De Raad bevestigt daarom de afwijzing van het verzoek om bijzondere bijstand en wijst het hoger beroep af.

Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van bijzondere bijstand bevestigd.

Uitspraak

13/4148 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 3 juli 2013, 13/851 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Wassenaar (college)
Datum uitspraak: 7 april 2015
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaken 13/6136 WWB, 14/1365 WWB en 14/1888 WW, plaatsgevonden op 24 februari 2015. Appellant is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door M. Schuurman. In de gevoegde zaken wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant ontving ten tijde in geding bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Hij heeft op 1 oktober 2012 bijzondere bijstand aangevraagd voor de legeskosten van € 74,50 ter zake van een woningurgentieverklaring. Bij besluit van 18 oktober 2012 heeft het college die aanvraag afgewezen.
1.2.
Bij besluit van 27 december 2012 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 18 oktober 2012 ongegrond verklaard. Het college heeft zich ten aanzien van de afwijzing van het verzoek om bijzondere bijstand op het standpunt gesteld dat ten tijde van de aanvraag de legeskosten reeds door appellant waren voldaan.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep ongegrond verklaard. Daartoe heeft zij overwogen dat uit de door appellant overgelegde kassabon die hij bij zijn aanvraag heeft overgelegd, is gebleken dat hij op 1 oktober 2012 het verschuldigde bedrag van € 74,50 contant heeft betaald. De rechtbank heeft daarop vastgesteld dat de kosten zijn gemaakt en voldaan voordat appellant de aanvraag om bijzondere bijstand heeft ingediend. Met verwijzing naar vaste rechtspraak van de Raad (waaronder de uitspraak van 21 juli 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BJ4669) heeft de rechtbank geoordeeld dat nu van een (reële) schuld ter zake van de gemaakte kosten niet is gebleken, appellant gelet op artikel 35, eerste lid, WWB in samenhang met artikel 11, eerste lid, van de WWB, geen recht had op bijzondere bijstand voor deze kosten.
3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad verwijst voor de toepasselijke wet- en regelgeving naar de aangevallen uitspraak en komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank, en de overwegingen waarop dit oordeel berust, dat uit artikel 35, eerste lid, WWB gelezen in verbinding met artikel 11, eerste lid, van de WWB volgt dat geen plaats is voor verlening van bijzondere bijstand voor kosten waarin ten tijde van de aanvraag reeds is voorzien. Appellant heeft wel betoogd dat hij zich genoodzaakt voelde om direct de legeskosten ter zake van de urgentieverklaring te voldoen op het moment dat hij met deze kosten werd geconfronteerd, maar hij heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij niet op een eerder tijdstip, en desnoods ook nog op het moment dat hem verzocht werd eerst legeskosten te voldoen, een daartoe strekkende aanvraag om bijzondere bijstand had kunnen indienen. In dit verband wordt opgemerkt dat appellant in het verleden reeds eerder een soortgelijke urgentieverklaring heeft aangevraagd en uit dien hoofde wist, dan wel had kunnen weten, dat in dat kader leges zijn verschuldigd en dat deze moeten worden voldaan voordat een verzoek in behandeling wordt genomen.
4.2.
Gelet op 4.1 slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van C. Moustaine als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 april 2015.
(getekend) R.H.M. Roelofs
(getekend) C. Moustaine

IJ