Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ4669

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 juli 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-6939 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • R.C. Schoemaker
  • R. Kooper
  • R.H.M. Roelofs
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 WWBArt. 35 WWBArt. 43 WWB
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing bijzondere bijstand voor verblijfskosten Ronald McDonald Huis

Appellant vroeg bijzondere bijstand aan voor verblijfskosten in het Ronald McDonald Huis van 30 april tot en met 14 mei 2004. Het College van burgemeester en wethouders van Amsterdam wees de aanvraag af omdat de kosten vóór de datum van aanvraag waren gemaakt en betaald. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.

In hoger beroep stelde appellant dat spoedopname van zijn zoon het onmogelijk maakte vooraf toestemming te vragen. De Raad oordeelde dat op grond van artikel 35, eerste lid, en artikel 11, eerste lid, van de WWB geen recht op bijzondere bijstand bestaat voor kosten die al voldaan zijn vóór de aanvraag.

De Raad bevestigde daarom de eerdere uitspraak en wees het beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De aanvraag voor bijzondere bijstand wordt afgewezen omdat de kosten vóór de aanvraagdatum zijn gemaakt en voldaan.

Uitspraak

06/6939 WWB
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 3 november 2006, 05/3108 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)
Datum uitspraak: 21 juli 2009
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 februari 2009. Appellant noch zijn gemachtigde zijn verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. van Kesteren, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.
II. OVERWEGINGEN
1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.
1.1. Bij besluit van 4 januari 2005 heeft het College de op 30 december 2004 ingediende aanvraag om bijzondere bijstand voor de door appellant gemaakte kosten van verblijf in het Ronald McDonald Huis gedurende de periode van 30 april 2004 tot en met 14 mei 2004 afgewezen. Bij besluit van 26 mei 2005 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 4 januari 2005 ongegrond verklaard. Daarbij heeft het College, onder verwijzing naar artikel 43, eerste lid, van de Wet werk en bijstand (WWB), overwogen dat in beginsel geen bijstand wordt verleend over een periode voorafgaand aan de datum van de aanvraag en dat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden om van dat uitgangspunt af te wijken.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 26 mei 2005 ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd. Appellant heeft betoogd dat zijn zoon met spoed werd opgenomen in het Erasmus Ziekenhuis in Rotterdam, zodat het onmogelijk was om vooraf toestemming te vragen.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de WWB, zoals dit artikel ten tijde in geding luidde, heeft iedere Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, recht op bijstand van overheidswege.
4.2. Artikel 35, eerste lid, van de WWB bepaalt - voor zover van belang - dat, onverminderd paragraaf 2.2, de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dat meer bedraagt dan de bijstandsnorm.
4.3. Uit de stukken blijkt dat appellant van 31 maart 2004 tot en met 15 april 2004 heeft verbleven in het Ronald McDonald Huis te Rotterdam, welk verblijf dus dateert van ruim vóór de indiening van de aanvraag om bijzondere bijstand. Bovendien staat vast dat het verschuldigde bedrag van € 187,50 op 29 april 2004 per pinpas is betaald. De Raad moet dan ook vaststellen dat de kosten door appellant voor de datum van aanvraag zijn gemaakt én voldaan, zonder dat van een (reële) schuld ter zake is gebleken, zodat appellant gelet op artikel 35, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 11, eerste lid, van de WWB, reeds hierom geen recht had op bijzondere bijstand voor de onderhavige kosten.
4.4. Het voorgaande betekent dat de aangevallen uitspraak, met verbetering van gronden, dient te worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en R. Kooper en R.H.M. Roelofs als leden, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2009.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) C. de Blaeij.
DW