ECLI:NL:CRVB:2015:1073

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
7 april 2015
Publicatiedatum
8 april 2015
Zaaknummer
14-955 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BWStb. 2013, 50
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onrechtmatige intrekking bijstandsuitkering en vergoeding incassokosten afgewezen

Appellante ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand. Het college trok deze bijstand met terugwerkende kracht in, waarna het besluit later werd ingetrokken en de bijstand werd voortgezet. Appellante verzocht vervolgens om vergoeding van schade, waaronder betaalde incassokosten wegens huurachterstand.

Het college kende alleen wettelijke rente toe over de nabetaling en wees verdere schadevergoeding af. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel.

De Raad overwoog dat de onrechtmatigheid van het intrekkingsbesluit vaststaat, maar dat de schadevergoeding beperkt is tot de wettelijke rente over de vertraagde betaling van de bijstand. Vergoeding van incassokosten is niet mogelijk omdat deze voortvloeien uit de vertraging en artikel 6:119 BW Pro bepaalt dat de wettelijke rente de maximale schadevergoeding is.

De Raad wees het beroep af en bevestigde de eerdere uitspraak, zonder toekenning van proceskosten.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en alleen wettelijke rente toegekend; vergoeding van incassokosten wordt afgewezen.

Uitspraak

14/955 WWB
Datum uitspraak: 7 april 2015
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van
22 januari 2014, 13/6184 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. M.M. Dezfouli, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 februari 2015. Namens appellante is
mr. Dezfouli verschenen. Het college heeft zich, met bericht, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellante ontving sinds 1 februari 2003 bijstand, ten tijde in geding op grond van de Wet werk en bijstand. Bij besluit van 9 oktober 2012 heeft het college de bijstand van appellante met ingang van 10 juni 2012 ingetrokken en de over de periode van 10 juni 2012 tot en met 30 juni 2012 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 821,91 van appellante teruggevorderd. Tegen dit besluit heeft appellante geen bezwaar gemaakt.
1.2.
Na tussenkomst van de familie van appellante heeft het college appellante bij besluit van
14 januari 2013 medegedeeld dat het besluit van 9 oktober 2012 geheel of gedeeltelijk onjuist is en komt te vervallen.
1.3.
Namens appellante is het college bij brief van 8 februari 2013 verzocht om vergoeding van schade als gevolg van het onrechtmatige intrekkingsbesluit van 9 oktober 2012, bestaande uit, voor zover van belang, de door appellante betaalde incassokosten in verband met een huurachterstand ten bedrage van € 1.032,85.
1.4.
Bij besluit van 11 maart 2013 heeft het college aan appellante € 44,96 aan wettelijke rente toegekend over de nabetaling van de bijstand vanaf juli 2012. Voor het overige heeft het college het verzoek om vergoeding van schade afgewezen op de grond dat slechts plaats is voor een vergoeding van schade gefixeerd op de wettelijke rente en dat voor zelfstandige vergoeding van beweerdelijk uit de vertraagde betaling van de bijstand voortgevloeide kosten geen plaats is.
1.5.
Bij besluit van 15 juli 2013 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellante tegen het besluit van 11 maart 2013 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Op 1 juli 2013 is de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten (Stb. 2013, 50) in werking getreden. Op grond van het overgangsrecht blijft op deze zaak het recht van toepassing zoals dat gold vóór 1 juli 2013.
4.2.
Uit 1.2 volgt dat het college het besluit van 9 oktober 2012 heeft ingetrokken en de bijstand aan appellante ongewijzigd heeft voortgezet. Daarmee is de onrechtmatigheid van dat besluit en de toerekening aan het bestuursorgaan gegeven. Voorts is niet in geschil dat de bij het besluit van 11 maart 2013 toegekende wettelijke rente juist is berekend. Partijen zijn verdeeld over de vraag of er daarnaast grond bestaat voor toewijzing van verdere vergoeding van schade, zoals appellante heeft verzocht.
4.3.
Volgens vaste rechtspraak van de Raad, onder meer de uitspraak van 6 december 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU7806, zijn de gevolgen van een onrechtmatige intrekking van een uitkering in beginsel terug te voeren op de vertraagde uitbetaling van de uitkering, althans voor zover het gaat om kosten die gemaakt zijn als gevolg van het tijdelijk gemis aan geld door die intrekking.
4.4.
Appellante stelt door het onrechtmatig handelen van het college materiële schade te hebben geleden in de vorm van betaalde incassokosten. Anders dan appellante meent, vloeit de gestelde schade voort uit de vertraging in de betaling van een geldsom (de bijstand) ten gevolge van het onrechtmatige besluit van 9 oktober 2012. Artikel 6:119 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) normeert de omvang en duur van de verplichting tot vergoeding van schade wegens vertraging in de voldoening van een geldsom. Het eerste lid van dat artikel bepaalt dat vergoeding van deze schade bestaat uit de wettelijke rente van die som over de tijd dat de schuldenaar in verzuim is geweest. De strekking van artikel 6:119, eerste lid, van het BW brengt mee dat de daarin gefixeerde hoogte van de schade niet opzij kan worden gezet op de grond dat de rechthebbende meer schade heeft geleden dan overeenkomt met de wettelijke rente. Zie in dit verband de rechtspraak van de Hoge Raad (arresten van 14 januari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR0220 en van 14 januari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR2760).
4.5.
Uit 4.3 en 4.4 volgt dat geen grond bestaat om een hogere schadevergoeding toe te kennen dan de reeds toegekende wettelijke rente en dat geen plaats is voor zelfstandige vergoeding van de uit de vertraagde uitbetaling voortgevloeide incassokosten.
4.6.
De beroepsgrond dat de fouten van het college dermate duidelijk zijn, de schade van appellante dusdanig aanwezig is en de onrechtmatige handeling een zodanig verband heeft met de geleden schade dat vergoeding van die schade door het college voor de hand ligt, leidt, gelet op voornoemde vaste rechtspraak, niet tot een ander oordeel.
4.7.
Uit 4.1 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal dan ook worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut, in tegenwoordigheid van O.P.L. Hovens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 april 2015.
(getekend) E.C.R. Schut
De griffier is buiten staat te ondertekenen

MK