ECLI:NL:CRVB:2015:1124
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering wegens geschiktheid voor schoonmaakarbeid bevestigd
Appellant was tot 17 februari 2012 werkzaam als schoonmaker en ontving een Ziektewetuitkering wegens gezondheidsklachten. Het UWV beëindigde deze uitkering per 25 juni 2012 op grond van een medisch onderzoek waaruit bleek dat appellant weer geschikt was voor zijn arbeid.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze beslissing ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en er geen aanwijzingen waren dat appellant onder druk had ingestemd met de onderzoeken zonder tolk. Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij vanwege psychische klachten volledig arbeidsongeschikt was en dat het onderzoek onzorgvuldig was, onder meer door het ontbreken van een tolk en het niet opvragen van huisartsinformatie.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het medisch onderzoek niet onzorgvuldig was, mede omdat appellant de mogelijkheid had om een tolk te laten bijstaan maar hiervan afzag. Ook was appellant ten tijde van het onderzoek niet onder behandeling voor psychische klachten, zodat het niet opvragen van huisartsinformatie niet als verzuim kan worden aangemerkt. De medische gronden van appellant zijn onvoldoende om het eerdere oordeel te herzien.
De Raad concludeert dat er geen objectieve medische redenen zijn om te veronderstellen dat appellant op de datum in geding niet in staat was om zijn arbeid als schoonmaker te verrichten. De aanvullende medische informatie uit Turkije betreft een latere periode en verandert dit oordeel niet. Het hoger beroep wordt verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant per 25 juni 2012 medisch geschikt was voor zijn arbeid en wijst het hoger beroep af.