ECLI:NL:CRVB:2015:1144
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewet-uitkering wegens herstel en geschiktheid voor werkzaamheden
Appellant meldde zich op 1 december 2011 ziek tijdens een lopende WW-uitkering. Het UWV beëindigde op 1 februari 2013 de Ziektewet-uitkering omdat een verzekeringsarts appellant per die datum weer geschikt achtte voor zijn werkzaamheden als verhuizer.
Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit en voerde aan dat hij op 1 februari 2013 nog niet hersteld was van zijn tennisarm en pas per 1 juni 2013 weer kon werken. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en er geen medische onderbouwing was voor een herstelperiode van twee tot drie maanden.
In hoger beroep onderschrijft de Raad dit oordeel. Zowel de verzekeringsarts als de arts bezwaar en beroep hadden appellant onderzocht en concludeerden dat hij per 1 februari 2013 weer geschikt was. De klachten van een tenniselleboog herstellen vooral door tijd. De huisarts bevestigde dat appellant vooral bezorgd was over terugkeer van klachten, maar dit deed niets af aan het medische oordeel.
Het hoger beroep wordt afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er is geen aanleiding voor proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de Ziektewet-uitkering per 1 februari 2013 wegens medische geschiktheid van appellant.