ECLI:NL:CRVB:2015:1271
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Recht op bijstand bij geschil over vermogensbestanddelen en tenaamstelling auto
Betrokkene vroeg bijstand aan op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). De aanvraag werd afgewezen vanwege overschrijding van de vermogensgrens, met name door de aanschaf van een Volkswagen die aanvankelijk op haar naam stond, maar later op naam van haar vader werd gezet. De rechtbank stelde dat betrokkene vanaf de meldingsdatum recht had op bijstand en dat de Volkswagen niet tot haar vermogen behoorde.
Het hoger beroep richtte zich op de vraag of de Volkswagen in de periode van 29 september tot 26 oktober 2012 tot het vermogen van betrokkene behoorde. De Raad stelde dat het kenteken op naam van betrokkene de vooronderstelling schept dat de auto tot haar vermogen behoort, tenzij het tegendeel aannemelijk wordt gemaakt. Voor de eerste periode (29-30 september) kon betrokkene dit niet aannemelijk maken, mede omdat de factuur op haar naam stond en zij feitelijk over de auto beschikte.
Voor de tweede periode (1-26 oktober) was de auto op naam van haar vader gezet, die ook alle vaste lasten betaalde. Appellant slaagde er niet in te bewijzen dat betrokkene over de auto kon beschikken. De Raad vernietigde het vonnis voor zover betrokkene bijstand werd toegekend over de eerste periode en bevestigde het voor de tweede periode, waardoor betrokkene recht op bijstand heeft vanaf 1 oktober 2012.
Uitkomst: Betrokkene heeft recht op bijstand vanaf 1 oktober 2012, maar niet in de periode 6 tot en met 28 september 2012 vanwege het vermogen in die eerste periode.