ECLI:NL:CRVB:2015:1276
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging bijstand wegens schending inlichtingenverplichting over woonadres
Appellant vroeg bijstand aan op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) en gaf aan geen vaste woon- of verblijfplaats te hebben. Na een intake meldde hij een verblijf bij een vriend, maar het college weigerde aanvankelijk bijstand vanwege ontbrekende gegevens. Appellant schreef zich in op het opgegeven adres en diende een nieuwe aanvraag in, die ook werd afgewezen. Het college kende uiteindelijk bijstand toe over een beperkte periode, maar stelde de bijstand stop vanwege het niet tijdig melden van een adreswijziging per 15 maart 2013.
De rechtbank oordeelde dat appellant niet tijdig had voldaan aan zijn inlichtingenverplichting en dat het recht op bijstand vanaf die datum niet kon worden vastgesteld. Appellant voerde in hoger beroep aan dat de trage besluitvorming van het college hem niet kon worden tegengeworpen en dat er geen sprake was van schending van de inlichtingenverplichting.
De Raad stelde vast dat de inlichtingenverplichting onverkort op appellant rust en dat het college terecht de bijstand beëindigde omdat appellant niet kon aantonen waar hij verbleef na 15 maart 2013. De enkele verklaring over een kort verblijf in een daklozencentrum was onvoldoende. Het hoger beroep werd afgewezen en het verzoek tot schadevergoeding werd eveneens afgewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van bijstand wegens niet tijdig melden van adreswijziging.