ECLI:NL:CRVB:2015:131
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant, laatstelijk werkzaam als rozenknipper, meldde zich ziek wegens psychische klachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en wees de uitkering af. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de functionele mogelijkhedenlijst (FML) correct was vastgesteld.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn stelling dat hij geen benutbare mogelijkheden tot arbeid had en dat het UWV onvoldoende rekening hield met zijn beperkingen. De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de verzekeringsartsen terecht concludeerden dat appellant niet voldeed aan de criteria voor volledige arbeidsongeschiktheid. Ook de informatie van de behandelend psychiater en PsyQ gaf geen aanleiding tot twijfel.
De arbeidsdeskundige onderbouwing van de geschiktheid voor de geselecteerde functies was toereikend gemotiveerd. Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen schadevergoeding toegekend en geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.