ECLI:NL:CRVB:2015:1313
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant, voormalig productiemedewerker, meldde zich ziek wegens schouderklachten en nikkelallergie. Na beëindiging van het dienstverband kreeg hij een Ziektewetuitkering. Een beoordeling in het kader van de Wet WIA leidde tot de conclusie dat appellant beperkingen heeft, maar dat zijn arbeidsongeschiktheid slechts 8% bedraagt, later bij bezwaar en beroep vastgesteld op 26,64%. Hierdoor werd een WIA-uitkering geweigerd.
Appellant voerde aan dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek onvoldoende zorgvuldig was en dat hij al vóór de toekenning van de loongerelateerde WGA-uitkering arbeidsongeschikt was. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, en in hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad oordeelde dat de medische beoordeling zorgvuldig was, mede gelet op MRI-onderzoeken en rapportages van verzekeringsartsen.
Verder werd geoordeeld dat het ontvangen van ziekengeld op grond van de Ziektewet niet automatisch betekent dat aansluitend een WIA-uitkering wordt toegekend, omdat de WIA-uitkering afhankelijk is van de mate van verdiencapaciteit en arbeidsongeschiktheid boven de 35%. De Raad concludeerde dat er geen aanwijzingen zijn dat de beperkingen van appellant op de relevante datum onjuist zijn vastgesteld, en dat het beroep daarom moet worden afgewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen recht heeft op een WIA-uitkering omdat zijn arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedraagt.