Uitspraak
,14/6584 WWB, 14/6585 WWB-VV
Centrale Raad van Beroep
Verzoekers, ontvangers van bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB), hadden hun bijstand beëindigd zien worden en werden geconfronteerd met een terugvordering vanwege bezit van onroerend goed in Turkije. Na nieuwe bijstandsaanvragen verzocht het college hen om diverse bewijsstukken omtrent dit onroerend goed. Verzoekers konden deze niet binnen de gestelde hersteltermijnen aanleveren en hielden vol dat deze gegevens niet relevant waren vanwege hun negatieve vermogen.
Het college stelde de aanvragen buiten behandeling op grond van artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank verklaarde de beroepen tegen deze besluiten ongegrond. In hoger beroep bevestigde de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep dat het college terecht om nadere gegevens had gevraagd die noodzakelijk zijn voor een juiste beoordeling van het recht op bijstand.
De voorzieningenrechter oordeelde dat verzoekers redelijkerwijs over de gevraagde documenten konden beschikken en dat het niet overleggen daarvan binnen de hersteltermijn een gegronde reden was om de aanvraag buiten behandeling te stellen. Het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen en de aangevallen uitspraken bevestigd.
Uitkomst: De aanvragen om bijstand werden terecht buiten behandeling gesteld wegens het niet tijdig overleggen van gevraagde gegevens, en het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen.