ECLI:NL:CRVB:2015:1350
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- D.J. van der Vos
- Rechtspraak.nl
Herziening mate arbeidsongeschiktheid en verdiencapaciteit in WIA-procedure
Appellant was in eerste instantie door het UWV beoordeeld met een arbeidsongeschiktheid van 36,26%, uitsluitend gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig onderzoek. De rechtbank vernietigde dit besluit vanwege een ontoereikende medische grondslag, maar liet de rechtsgevolgen in stand. In hoger beroep stelde appellant dat hij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt was, ondersteund door medisch advies uit België en een aanvullend medisch rapport.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV ten onrechte geen arbeidskundige beoordeling had uitgevoerd, terwijl dit volgens de Wet WIA vereist is. Tijdens de procedure voerde het UWV alsnog een arbeidskundige beoordeling uit, waaruit bleek dat appellant geschikt was voor bepaalde functies met een arbeidsongeschiktheid van 42,55%. De Raad stelde vast dat de medische beoordeling van het UWV zorgvuldig was en dat de beperkingen van appellant juist waren vastgesteld.
De Raad concludeerde dat appellant met de vastgestelde beperkingen in staat is de geselecteerde functies te vervullen en dat de mate van arbeidsongeschiktheid en verdiencapaciteit dienovereenkomstig aangepast moeten worden. Het eerdere besluit werd herroepen, de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 42,55% en de verdiencapaciteit op €1.934,01 per maand. Tevens werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: De mate van arbeidsongeschiktheid wordt vastgesteld op 42,55% met een verdiencapaciteit van €1.934,01 per maand.