Appellante had bezwaar gemaakt tegen besluiten van het UWV waarin haar arbeidsongeschiktheidspercentage werd vastgesteld en gewijzigd. De rechtbank verklaarde het bezwaar tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk en het bezwaar tegen het tweede besluit ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat de wijziging geen ander rechtsgevolg had en herroeping niet aan de orde was.
In hoger beroep stelde appellante dat de rechtbank ten onrechte nieuwe feiten buiten beschouwing liet en dat de wijziging van het arbeidsongeschiktheidspercentage en de resterende verdiencapaciteit wel degelijk een wijziging van haar rechtspositie betekende. De Centrale Raad van Beroep bevestigde dat een wijziging in de bezwaarfase van het arbeidsongeschiktheidspercentage en daarmee de resterende verdiencapaciteit een herroeping van het besluit inhoudt volgens artikel 7:15, tweede lid, Awb.
De Raad vernietigde het bestreden besluit en herroept het besluit van 27 september 2011, dat in de plaats treedt van het besluit van 14 december 2011. Tevens veroordeelde de Raad het UWV tot vergoeding van de proceskosten in bezwaar, beroep en hoger beroep. Hiermee werd het standpunt van appellante gevolgd dat haar bezwaar ten onrechte ongegrond was verklaard en dat zij recht heeft op vergoeding van de kosten.