ECLI:NL:CRVB:2015:1357
Centrale Raad van Beroep
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen strafontslag ambtenaar wegens vermeende bijstandsfraude
Betrokkene was sinds 2001 werkzaam bij de gemeente Amsterdam en kreeg ontslag opgelegd wegens vermeende medewerking aan bijstandsfraude door het toestaan van inschrijving van een persoon op haar adres terwijl hij daar niet woonde. Dit ontslag werd gehandhaafd na onderzoek door Bureau Integriteit en een sociaal rechercheonderzoek.
De rechtbank verklaarde het beroep van betrokkene tegen het ontslag gegrond en vernietigde het besluit, omdat onvoldoende was komen vast te staan dat betrokkene ernstig plichtsverzuim had gepleegd. De rechtbank bepaalde dat het dienstverband moest worden hersteld en de bezoldiging hervat.
Verzoeker, het college van burgemeester en wethouders, stelde hoger beroep in en verzocht om een voorlopige voorziening om het herstel van het dienstverband op te schorten. De voorzieningenrechter oordeelde dat gezien het ontbreken van een redelijke mate van waarschijnlijkheid dat het ontslag in hoger beroep stand zal houden, en het grote belang van betrokkene bij het dienstverband, het verzoek tot voorlopige voorziening moest worden afgewezen.
Daarnaast werd vastgesteld dat een eerdere uitspraak van de rechtbank inzake de bijstandsuitkering van de zus van betrokkene gezag van gewijsde heeft gekregen, waardoor de verdenking van bijstandsfraude niet langer houdbaar is. Verzoeker kon niet overtuigend aantonen dat de gedragingen van betrokkene de zwaarste straf van ontslag rechtvaardigen.
De voorzieningenrechter veroordeelde verzoeker tot vergoeding van de proceskosten van betrokkene.
Uitkomst: Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening tegen het herstel van het dienstverband van betrokkene wordt afgewezen.