ECLI:NL:CRVB:2015:136

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
20 januari 2015
Publicatiedatum
26 januari 2015
Zaaknummer
13-3583 WTCG
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 lid 4 Wet werk en bijstand
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag bijstand wegens gezamenlijke huishouding en toetsinkomen

Appellante diende op 2 oktober 2012 een aanvraag in voor een aanvullende tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten. Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam wees deze aanvraag af omdat appellante en haar ex-partner B een gezamenlijke huishouding zouden voeren en hun gezamenlijk inkomen boven het geldende toetsinkomen lag.

De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond. In hoger beroep stelde appellante dat zij geen gezamenlijke huishouding voerde met B, die sinds 2004 haar ex-partner is, en dat B het adres slechts als postadres gebruikte zonder er feitelijk te wonen. Ter onderbouwing werd een verklaring van B overgelegd.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellante niet aannemelijk had gemaakt dat B niet op het adres woonde. De enkele verklaring van B was onvoldoende, en het college mocht ervan uitgaan dat sprake was van een gezamenlijke huishouding. Aangezien het gezamenlijke inkomen ruimschoots boven het toetsinkomen lag, was de afwijzing terecht. De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees een veroordeling in proceskosten af.

Uitkomst: De aanvraag om bijstand is afgewezen omdat sprake is van een gezamenlijke huishouding met een gezamenlijk inkomen boven het toetsinkomen.

Uitspraak

13/3583 WTCG
Datum uitspraak: 20 januari 2015
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
17 mei 2013, 13/377 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. A. van den Os, werkzaam bij Arag Rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 november 2014. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van den Os. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door F.H.W. Fris.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellante heeft op 2 oktober 2012 een aanvraag op grond van de regeling Aanvullende tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten (Atcg) ingediend.
1.2.
Appellante staat volgens de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) tot 15 juni 2011 ingeschreven op het adres [Adres A.] te [woonplaats] en vanaf 15 juni 2011 op het adres [Adres A.] te [woonplaats]. [naam ex-partner B] (B), haar ex-partner, staat volgens de GBA vanaf 14 juni 2011 ook op dit adres ingeschreven.
1.3.
Bij besluit van 15 november 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 2 januari 2013 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag afgewezen op de grond dat appellante en B een gezamenlijke huishouding voeren en dat het gezamenlijk inkomen van appellante en B van 1 januari 2011 tot en met 31 december 2011 hoger is dan het geldende toetsinkomen.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellante heeft, samengevat, aangevoerd dat zij geen gezamenlijke huishouding met B heeft gevoerd van wie zij in 2004 is gescheiden. B is hertrouwd, heeft het adres gebruikt als postadres en heeft daar feitelijk nooit gewoond. Appellante heeft al jaren geen contact met hem. Ter ondersteuning is een verklaring van B overgelegd, waarin hij verklaard het adres met toestemming van de hoofdbewoner gebruikt te hebben als postadres.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Het gaat in dit geding om een besluit tot afwijzing van een aanvraag om bijstand. Een aanvrager moet in het algemeen de feiten en omstandigheden aannemelijk maken die nopen tot inwilliging van die aanvraag. In dat kader dient de aanvrager de nodige duidelijkheid te verschaffen. Vervolgens is het aan het bijstandverlenend orgaan om in het kader van de onderzoeksplicht deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren.
4.2.
Vaststaat dat het onweerlegbaar rechtsvermoeden van artikel 3, vierde lid, aanhef en onder a, van de Wet werk en bijstand van toepassing is.
4.3.
Appellante is er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat B ten tijde in geding zijn hoofdverblijf niet had op het adres [Adres A.] te [woonplaats]. De enkele door haar overgelegde verklaring van B dat hij het adres aan de [Adres A.] met goedkeuring van de hoofdbewoner heeft gebruikt als postadres is daartoe onvoldoende. Door appellante is geen aannemelijke verklaring gegeven waarom B het adres niet als postadres heeft laten registreren. Evenmin is duidelijk geworden waarom B zich niet na de scheiding van het adres [Adres A.] te [woonplaats] heeft uitgeschreven. Dat B inmiddels is hertrouwd is niet van belang. Onder de gegeven omstandigheden mocht het college er van uitgaan dat appellante met B een gezamenlijke huishouding voerde. Nu niet wordt betwist dat het inkomen van appellante tezamen met het inkomen van B ruimschoots boven het geldende toetsinkomen ligt, heeft het college de aanvraag terecht afgewezen.
4.4.
Uit 4.3 volgt dat de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham, in tegenwoordigheid van
C.M.A.V. van Kleef als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op
20 januari 2015.
(getekend) A.B.J. van der Ham
(getekend) C.M.A.V. van Kleef

HD