ECLI:NL:CRVB:2015:1368
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging persoonsgebonden budget voor hulp bij het huishouden wegens ontbreken medische noodzaak
Appellante kreeg op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) een persoonsgebonden budget (pgb) voor hulp bij het huishouden toegekend. Door wijzigingen in gemeentelijke regelgeving werd dit pgb in 2012 beëindigd omdat het college van burgemeester en wethouders van mening was dat appellante met inachtneming van haar beperkingen zelf alle huishoudelijke werkzaamheden kon verrichten.
De rechtbank Limburg verklaarde het beroep van appellante tegen deze beëindiging ongegrond, waarbij werd vastgesteld dat het medisch advies van de GGD-arts zorgvuldig was en dat appellante geen medische beperkingen had die haar verhinderen het huishouden te doen. Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij lijdt aan een ernstige immuunziekte en daardoor niet in staat is het huishouden te doen, onderbouwd met een brief van een internist.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het hoger beroep geen nieuwe feiten of medische gegevens bevat die het eerdere oordeel van de GGD-arts ondermijnen. Het medisch advies is voldoende gemotiveerd en gebaseerd op uitgebreid onderzoek en recente medische correspondentie. Het college heeft daarmee terecht geoordeeld dat er geen noodzaak is voor het pgb. De Raad bevestigt de eerdere uitspraak en wijst het beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van het pgb omdat appellante in staat is het huishouden zelf uit te voeren.