ECLI:NL:CRVB:2015:1372

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
30 april 2015
Publicatiedatum
30 april 2015
Zaaknummer
13-2323 APPA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 133a Appa
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek verlenging APPA-uitkering wegens geschiktheid maatgevende functie

Appellant, voormalig ambtenaar in de gemeente Bergen op Zoom, verzocht om verlenging van zijn APPA-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid. Na medisch en arbeidskundig onderzoek wees het college het verzoek af, een besluit dat na bezwaar werd gehandhaafd.

Appellant betoogde dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was en dat een tweede arts geraadpleegd had moeten worden. De Raad oordeelde dat geschiktheid voor de maatgevende functie betekent dat geen sprake is van arbeidsongeschiktheid en dat appellant ondanks een visuele beperking zijn functies volledig kon uitoefenen.

De psychische klachten, waaronder een matig ernstige depressieve stoornis, bleken niet zodanig dat appellant ongeschikt was voor zijn functie. Het medisch onderzoek, gebaseerd op informatie van de behandelende sector en zonder tegenbewijs, vormde een voldoende grondslag voor het besluit.

De Raad verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van verlenging van de APPA-uitkering wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

13/2323 APPA
Datum uitspraak: 30 april 2015
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak in het geding tussen:
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Bergen op Zoom (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. J.A.J. Saman beroep ingesteld tegen het besluit van het college van 20 maart 2013, kenmerk U13-004450. Dit betreft de toepassing van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers (Appa).
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 maart 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Saman. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. A.G. Kerkhof en W.J.L. Kruf.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant was vanaf 1999 [naam functie] in de gemeente Bergen op Zoom. Na zijn aftreden op 9 mei 2006 is hem, met ingang van 10 mei 2006, een uitkering ingevolge de Appa toegekend met een looptijd tot en met 9 mei 2012. Gedurende deze looptijd heeft appellant, van mei 2006 tot oktober 2008, werkzaamheden verricht als [naam functie 2] in
Bergen op Zoom en, van november 2008 tot april 2010, als [naam functie] in de gemeente Rucphen.
1.2.
Op 2 februari 2012 heeft appellant verzocht om verlenging van zijn uitkering wegens arbeidsongeschiktheid, dit op grond van artikel 133a van de Appa. Appellant is naar aanleiding van dit verzoek onderzocht door de bedrijfsarts. Tevens heeft een arbeidskundige beoordeling plaatsgevonden. Na het voornemen daartoe bekend te hebben gemaakt en appellant de mogelijkheid te hebben geboden daarop een reactie te geven, heeft het college bij besluit van 11 oktober 2012 afwijzend op het verzoek beslist. Dit besluit is na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit.
2. Appellant is van mening dat het college ten onrechte heeft geconcludeerd dat sprake is van een mate van invaliditeit van minder dan 25%. Hij acht het verrichte medisch onderzoek onzorgvuldig en is van mening dat het college in de bezwaarfase een tweede arts had moeten raadplegen.
3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
3.1.
In artikel 133a, eerste lid, van de Appa is geregeld dat als de belanghebbende op de dag waarop de uitkering eindigt geheel of gedeeltelijk algemeen invalide is, de uitkering voor de duur van de invaliditeit wordt voortgezet. Volgens het tweede lid van artikel 133a van de Appa wordt onder geheel of gedeeltelijk algemeen invalide verstaan, hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekten of gebreken geheel of gedeeltelijk niet in staat is om met arbeid te verdienen hetgeen gezonde personen, met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan, met arbeid gewoonlijk verdienen. Onder de eerstgenoemde arbeid wordt verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de betrokkene met zijn krachten en bekwaamheden in staat is. Het vijfde lid van artikel 133a van de Appa bepaalt dat bij algemene invaliditeit van minder dan 25% de uitkering niet wordt voortgezet.
3.2.
Naar vaste rechtspraak van de Raad brengt geschiktheid voor de maatgevende functie, in dit geval de functie van [naam functie], met zich dat geen sprake is van arbeidsongeschiktheid. Als een betrokkene in staat moet worden geacht zijn eigen werk volledig te verrichten, hoeft niet te worden toegekomen aan een toets of diegene geschikt is tot het verrichten van andere (algemeen geaccepteerde) arbeid.
3.3.
Het college stelt zich op het standpunt dat appellant niet ongeschikt is te achten voor de maatgevende arbeid. De Raad kan het college daarin volgen. Appellant heeft al langere tijd een beperkt zicht in het rechteroog, maar heeft ter zitting van de Raad bevestigd dat deze beperking hem niet substantieel belemmert in zijn functioneren. Hij heeft zowel zijn functie in Bergen op Zoom als de daaropvolgende werkzaamheden als [naam functie 2] en als [naam functie] in Rucphen, niettegenstaande de visusbeperking, volledig kunnen uitoefenen. Onder deze omstandigheden kan niet worden gezegd dat het college aan de bedoelde beperking, die in de door de bedrijfsarts ingevulde Functiemogelijkhedenlijst alleen in de rubriek “sociaal functioneren”, onder punt II-1, “zien”, tot de aantekening “beperkt” heeft geleid, te weinig betekenis heeft gehecht. Dat appellant naar zijn zeggen hinder van de beperking ondervindt bij het lezen en autorijden kan dat niet anders maken.
3.4.
In de psychische klachten van appellant, die volgens hemzelf zijn belangrijkste beperking vormen, is evenmin enig aanknopingspunt voor de conclusie van ongeschiktheid voor de maatgevende arbeid gelegen. Appellant is in februari 2012 gestart met een behandeling bij M.M. Thunnissen, psychiater/psychotherapeut. Dat deze spreekt van een matig ernstige depressieve stoornis betekent niet dat appellant ongeschikt voor de uitoefening van de functie van [naam functie] is te achten. Van die ongeschiktheid is te minder gebleken nu de bedoelde depressieve stoornis volgens Thunnissen met name is terug te voeren op het niet meer hebben van werk en een daaruit voortgevloeid verminderd gevoel van eigenwaarde.
3.5.
Nu het door de bedrijfsarts verrichte medisch onderzoek geen aangrijpingspunt voor mogelijke ongeschiktheid voor de maatgevende arbeid heeft opgeleverd, dit onderzoek mede was gebaseerd op informatie uit de behandelende sector en hetgeen appellant daar tegenover heeft gesteld geen reden gaf de resultaten ervan in twijfel te trekken, kan niet worden gezegd dat het college zijn besluitvorming, voor zover het de medische component betrof, niet op dit onderzoek heeft mogen baseren. De Raad volgt appellant dus niet in zijn standpunt dat naar aanleiding van zijn bezwaarschrift een tweede arts had moeten worden geconsulteerd.
3.6.
Het beroep is ongegrond.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en B.J. van de Griend en
R.C. Schoemaker als leden, in tegenwoordigheid van C. Moustaine als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 april 2015.
(getekend) A. Beuker-Tilstra
(getekend) C. Moustaine

HD