ECLI:NL:CRVB:2015:1380
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Ontslag wegens redenen van gewichtige aard zonder deugdelijke feitelijke grondslag
Appellante was sinds april 2002 in dienst als [naam functie A] en viel in maart 2010 uit wegens ziekte. Na herstel in november 2011 verleende het bestuur haar ontslag per 1 juni 2012, primair wegens ongeschiktheid en subsidiair wegens redenen van gewichtige aard, gebaseerd op een vermoeden van structurele onderprikkeling door haar hyperintelligentie.
De rechtbank vernietigde het ontslag op de primaire grond, maar handhaafde het ontslag op de subsidiaire grond. Appellante stelde hoger beroep in tegen deze beslissing. De Raad beoordeelde dat de redenen van gewichtige aard vooral betrekking moeten hebben op de persoon en directe werksituatie en dat het bestuur haar standpunt baseerde op een rapportage van een arbeidspsychologisch onderzoek.
De Raad oordeelde dat deze rapportage onvoldoende grondslag bood voor het ontslag, omdat het risico op toekomstig langdurig ziekteverzuim niet overtuigend werd aangetoond en positieve kwalificaties over appellante aanwezig waren. Ook de veranderde houding van appellante ten aanzien van terugkeer en het ontbreken van bewijs voor de door het bestuur aangevoerde voorbeelden en beschuldigingen maakten het ontslag onterecht.
Daarom vernietigde de Raad het bestreden besluit en herroept het ontslagbesluit, waardoor appellante in dienst blijft. Het bestuur werd veroordeeld in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het ontslagbesluit wegens redenen van gewichtige aard wordt vernietigd en appellante blijft in dienst.