ECLI:NL:CRVB:2015:1396
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging recht op kinderbijslag voor in buitenland wonende WAO-gerechtigde
Appellant, woonachtig in Turkije en ontvanger van een WAO-uitkering, kreeg per 2 augustus 2012 bericht van de Sociale verzekeringsbank (Svb) dat hij vanaf het tweede kwartaal 2012 geen recht meer heeft op kinderbijslag voor zijn kinderen. Dit besluit werd gebaseerd op de afschaffing per 1 januari 2000 van de verplichte verzekering voor de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) voor in het buitenland wonende WAO-gerechtigden.
Appellant beriep zich op een overgangsregeling die recht gaf op kinderbijslag zolang het jongste kind waarvoor voor 1 januari 2000 recht bestond, nog geen 18 jaar was. Nu het jongste kind in 2012 18 jaar werd, verviel het overgangsrecht en daarmee het recht op kinderbijslag. De rechtbank Amsterdam verklaarde het bezwaar ongegrond en de Raad bevestigde dit oordeel in hoger beroep.
In hoger beroep voerde appellant aan dat hij financieel krap zat en vrijwillig verzekerd was voor AOW en ANW. De Raad oordeelde echter dat deze omstandigheden geen recht op kinderbijslag onder de AKW konden creëren. De Raad bevestigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, waarmee het recht op kinderbijslag met ingang van het tweede kwartaal 2012 werd beëindigd.
Uitkomst: Het recht op kinderbijslag van appellant is met ingang van het tweede kwartaal 2012 beëindigd omdat het jongste kind 18 jaar is geworden en de overgangsregeling niet langer van toepassing is.