ECLI:NL:CRVB:2015:1419
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering studiefinanciering wegens niet-thuiswonend op GBA-adres
Appellante ontving studiefinanciering op basis van de norm voor uitwonende studenten, terwijl zij volgens de minister feitelijk niet op het GBA-adres woonde waar zij stond ingeschreven. Na een huisbezoek en onderzoek concludeerde de minister dat appellante als thuiswonend moest worden aangemerkt en herzag de studiefinanciering, met terugvordering van te veel betaalde bedragen.
De rechtbank Limburg verklaarde het beroep van appellante ongegrond, omdat het rapport van het huisbezoek onvoldoende aanwijzingen bevatte dat appellante de kamer daadwerkelijk bewoonde. Appellante voerde tegenbewijs aan, maar dit werd niet overtuigend geacht.
In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep het oordeel van de rechtbank. De Raad acht de bevindingen van het huisbezoek, waaronder de geringe hoeveelheid persoonlijke spullen, het ontbreken van een huissleutel en de verklaring van een buurvrouw, voldoende om te concluderen dat appellante niet op het GBA-adres woonde. De door appellante gegeven verklaringen overtuigen niet. De terugvordering van studiefinanciering blijft daarom in stand.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante niet feitelijk woonde op haar GBA-adres en handhaaft de terugvordering van studiefinanciering.