ECLI:NL:CRVB:2015:1421
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verzoek terugkomen van besluit AOW-pensioenintrekking
Appellant, geboren in 1944 en met de Marokkaanse nationaliteit, had een AOW-pensioen aangevraagd dat aanvankelijk voor 14% werd toegekend, maar later werd ingetrokken. Hij verzocht de Sociale verzekeringsbank (Svb) om terug te komen op deze intrekking, stellende dat hij tussen 1970 en 1992 in Nederland had gewoond en gewerkt. De Svb wees dit verzoek af omdat er geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden waren die herziening rechtvaardigden.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze afwijzing ongegrond. De Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak en overweegt dat de feiten die appellant aanvoert bekend waren bij het eerdere besluit en dat hij geen nieuwe bewijsstukken heeft overgelegd. Het onderzoek van de Svb naar de woon- en werksituatie van appellant leverde geen aanwijzingen op dat hij in Nederland verzekerd was voor de AOW.
De Raad benadrukt dat voor perioden voorafgaand aan het eerdere besluit alleen nieuwe feiten of omstandigheden aanleiding kunnen geven tot herziening. Voor perioden na het verzoek geldt een belangenafweging, die hier in het voordeel van de Svb uitvalt. Appellant beschikte niet over zelfstandige woonruimte, een verblijfsvergunning ontbrak, en hij is in 1992 uitgezet. De verklaringen over zijn werksituatie waren niet gestaafd met bewijs en vertoonden inconsistenties.
De Raad concludeert dat de Svb zorgvuldig heeft gehandeld en bevestigt de afwijzing van het verzoek om terug te komen van het besluit. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het verzoek om terug te komen van het besluit tot intrekking van het AOW-pensioen wordt afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.