ECLI:NL:CRVB:2015:1429
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.F. Bandringa
- M. Hillen
- C.H. Rombouts
- Rechtspraak.nl
Betaalde dwangsom telt als vermogen bij bijstandstoets volgens WWB
Appellante ontvangt sinds mei 2011 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Het college kende haar een dwangsom toe wegens het niet tijdig beslissen op bezwaarschriften, welke werd uitbetaald op de derdenrekening van haar advocaat. Vervolgens stelde het college dat deze dwangsom als inkomen moest worden verrekend met de bijstand, maar herzag dit en besloot de dwangsom als vermogen aan te merken. Dit leidde tot een overschrijding van het vrij te laten vermogen, waardoor appellante geen recht meer had op bijstand.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarna zij hoger beroep instelde. Appellante voerde aan dat een dwangsom geen middel is in de zin van artikel 31 WWB Pro en gelijk moet worden gesteld aan een schadevergoeding, die niet tot het vermogen behoort. Zij stelde dat het terughalen van de dwangsom via de vermogenstoets de prikkel voor bestuursorganen om tijdig te beslissen wegneemt en dat dit leidt tot ongelijke behandeling in strijd met het IVBPR.
De Raad oordeelde dat de dwangsom volgens de ruime omschrijving van artikel 31 WWB Pro wel degelijk tot de middelen behoort en dat er geen grond is om de dwangsom als schadevergoeding te kwalificeren. De prikkel voor bestuursorganen blijft bestaan omdat de dwangsom niet altijd leidt tot overschrijding van het vrij te laten vermogen en het college bovendien een interingsnorm hanteert. Het beroep op het IVBPR faalde omdat er geen sprake is van ongelijke behandeling van juridisch gelijke gevallen.
De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen veroordeling in de proceskosten uitgesproken.
Uitkomst: De betaalde dwangsom wordt als vermogen aangemerkt, waardoor appellante geen recht had op bijstand wegens overschrijding van de vermogensgrens.