ECLI:NL:CRVB:2015:1436
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding zonder melding
Appellant ontving bijstand en werd mede-terugvordering opgelegd omdat hij met K een gezamenlijke huishouding voerde zonder dit te melden aan het college. Uit onderzoek, waaronder verhoren en getuigenverklaringen, bleek dat appellant en K samenwoonden en zorg voor elkaar droegen.
Appellant betwistte de gezamenlijke huishouding en de waarde van getuigenverklaringen, en voerde aan dat hij zijn woonsituatie had gemeld bij een andere uitkeringsaanvraag. De Raad stelde vast dat aan het criterium van hoofdverblijf in dezelfde woning was voldaan en dat sprake was van wederzijdse zorg, zoals eerder beoordeeld in een gerelateerde zaak.
De Raad oordeelde dat appellant de persoon is met wiens middelen rekening had moeten worden gehouden bij de bijstandsverlening aan K, en dat het college bevoegd was de kosten mede van appellant terug te vorderen. Verzoeken tot verdere matiging en schadevergoeding werden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.
De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en het hoger beroep van appellant werd verworpen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van bijstand wordt bevestigd.