ECLI:NL:CRVB:2015:1474
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens niet-woonachtig op opgegeven adres
Appellant ontving sinds januari 2011 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Het college stelde een onderzoek in naar het woonadres van appellant na een melding dat hij vermoedelijk niet op het opgegeven adres verbleef. Het onderzoek bestond uit dossieronderzoek, informatie van energieleveranciers, meerdere pogingen tot huisbezoek en een gesprek met appellant.
Op basis van het onderzoek besloot het college de bijstand met terugwerkende kracht in te trekken en de kosten van bijstand over de periode januari 2011 tot september 2012 terug te vorderen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel.
De Raad oordeelde dat appellant niet zijn hoofdverblijf had op het opgegeven adres, wat werd ondersteund door verklaringen van omwonenden, meterstanden, het ontbreken van persoonlijke bezittingen en het niet melden van een ander woonadres. De schending van de inlichtingenverplichting rechtvaardigde de intrekking en terugvordering.
Appellants beroep dat de terugvordering tot onaanvaardbare sociale en financiële gevolgen leidde, werd verworpen omdat dit geen dringende reden vormde om van terugvordering af te zien. De Raad bevestigde daarmee het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: De intrekking van bijstand en terugvordering worden bevestigd omdat appellant niet op het opgegeven adres woonde en zijn inlichtingenverplichting schond.