ECLI:NL:CRVB:2015:149
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijzondere bijstand voor inrichtingskosten wegens niet-noodzakelijke verhuizing
Appellante woonde bij haar moeder en kreeg een huurwoning toegewezen per 15 juni 2012. Zij vroeg op 12 juni 2012 bijzondere bijstand aan voor de inrichtingskosten van deze nieuwe woning. Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam wees deze aanvraag op 19 juni 2012 af, omdat de verhuizing niet noodzakelijk werd geacht. Het bezwaar van appellante tegen deze afwijzing werd bij besluit van 13 november 2012 ongegrond verklaard.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep stelde appellante dat zij vanwege haar leeftijd en die van haar moeder, en vanwege mogelijke financiële gevolgen van de huishoudinkomenstoets, moest verhuizen. De Raad oordeelde echter dat appellante niet aannemelijk had gemaakt dat de verhuizing noodzakelijk was. Er was geen urgentieverklaring en zij had de keuze om bij haar moeder te blijven wonen.
De Raad concludeerde dat de kosten van de verhuizing voortvloeiden uit een persoonlijke keuze en niet als noodzakelijke kosten in de zin van artikel 35, eerste lid, van de WWB konden worden aangemerkt. Daarom was de afwijzing van de bijzondere bijstand terecht en werd het hoger beroep afgewezen. Er werden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: De afwijzing van de aanvraag bijzondere bijstand voor inrichtingskosten wegens niet-noodzakelijke verhuizing wordt bevestigd.