ECLI:NL:CRVB:2015:1498
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstand wegens gezamenlijke huishouding met ex-echtgenote en kind
Appellant was gehuwd met R, met wie hij een kind heeft. Na echtscheiding woonde appellant tijdelijk elders, maar verhuisde in oktober 2010 naar de woning van R, die volledig rolstoelgeschikt is vanwege zijn gezondheidsproblemen.
Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam had bijstand toegekend aan appellant als alleenstaande, maar trok deze bijstand in per 19 oktober 2010 omdat appellant en R geacht werden een gezamenlijke huishouding te voeren. Dit werd gebaseerd op het feit dat zij samenwoonden in één zelfstandige woning en een kind uit hun relatie hadden.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel in hoger beroep. De Raad oordeelde dat de woning één zelfstandige woning is met één toegang en dat de subjectieve beleving van appellant niet relevant is. Ook het beroep op het beleid van het college en de noodzaak van een aangepaste woning leidde niet tot een ander oordeel.
Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen en er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 12 mei 2015.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wordt bevestigd omdat appellant en zijn ex-echtgenote geacht worden een gezamenlijke huishouding te voeren.