ECLI:NL:CRVB:2015:1499
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- J.F. Bandringa
- W.F. Claessens
- Rechtspraak.nl
Vernietiging waarschuwing wegens onterecht opgelegde inlichtingenplichtschending WWB
Appellante vroeg bijstand aan op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) en vulde het aanvraagformulier in met haar woonadres en de vermelding van haar minderjarige zoon. Het dagelijks bestuur van de Sociale Dienst Oost Achterhoek stelde na onaangekondigde huisbezoeken vast dat zij samenwoonde met een man, de heer S, en concludeerde dat appellante haar inlichtingenplicht had geschonden. Op basis daarvan werd een schriftelijke waarschuwing gegeven volgens artikel 18a, vierde lid, van de WWB.
Appellante stelde in bezwaar en beroep dat zij de inlichtingenplicht niet had geschonden en dat de waarschuwing onterecht was opgelegd. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde anders. De Raad stelde vast dat het woord 'wonen' in het dagelijks spraakgebruik niet gelijk is aan 'hoofdverblijf' in het kader van een gezamenlijke huishouding en dat appellante voldoende openheid van zaken had gegeven over haar woon- en leefsituatie.
De Raad concludeerde dat het dagelijks bestuur onvoldoende grond had om te stellen dat appellante haar inlichtingenplicht had geschonden. Daarom was er geen rechtsgrond voor de waarschuwing. De Raad vernietigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank en herroept het besluit voor zover het de waarschuwing betreft. Tevens werd het dagelijks bestuur veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep vernietigt de waarschuwing wegens onterecht opgelegde inlichtingenplichtschending en herroept het besluit dat deze waarschuwing bevatte.