ECLI:NL:CRVB:2015:1525
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering voorschot WW-uitkering bij zelfstandige inkomsten
Appellant ontving vanaf 1 juni 2009 een WW-uitkering en kreeg toestemming om met behoud van deze uitkering werkzaamheden als zelfstandige te verrichten gedurende een startperiode van 1 juni tot en met 29 november 2009. Het UWV bracht 70% van de inkomsten als zelfstandige in mindering op de uitkering en betaalde de uitkering als voorschot uit. Later stelde het UWV vast dat appellant te veel voorschot had ontvangen en vorderde een bedrag terug, waarbij ook inkomsten na de startperiode werden betrokken.
Appellant maakte bezwaar tegen deze terugvordering en voerde aan dat hij onvoldoende was geïnformeerd over de verrekening van inkomsten na de startperiode. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat appellant niet ondubbelzinnig mocht verwachten dat alleen inkomsten tijdens de startperiode zouden worden verrekend. Tevens was voldoende informatie beschikbaar via folders en de website van het UWV.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze beoordeling. De Raad oordeelde dat appellant aannemelijk had gemaakt dat hij over de relevante informatie beschikte, waaronder de brochure waarin expliciet werd vermeld dat ook inkomsten na de startperiode worden betrokken bij de verrekening. De e-mail van appellant aan de werkcoach bood geen grond voor een andere interpretatie. Het hoger beroep werd afgewezen en de terugvordering bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de terugvordering van het voorschot WW-uitkering bevestigd.