ECLI:NL:CRVB:2015:1579
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.E. Bakker
- G. van Zeben-de Vries
- C.J. Borman
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering onverschuldigde WAZ-uitkering wegens schending inlichtingenplicht door verzwijging hennepkwekerij
Appellant ontving sinds 2001 een WAZ-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. In 2011 trof de politie in een door appellant gehuurde woning een hennepkwekerij aan. Het UWV stelde op basis van politie- en eigen rapporten vast dat appellant in de periode mei tot december 2011 wederrechtelijk voordeel had genoten uit deze kwekerij.
Het UWV besloot daarom de uitkering over die periode stop te zetten en de onverschuldigd betaalde bedragen terug te vorderen. Appellant voerde aan dat hij geen oogsten had gehad en geen inkomsten had genoten, en dat het oordeel van de strafrechter moest worden afgewacht. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat appellant zijn mededelingsplicht had geschonden door zijn werkzaamheden en inkomsten te verzwijgen.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel. De Raad stelt vast dat het UWV op goede gronden een schatting mocht maken van de inkomsten, gebaseerd op duidelijke aanwijzingen van meerdere oogsten. Het beroep op de onschuldpresumptie en het wachten op strafrechterlijk oordeel faalt omdat bestuursrecht en strafrecht verschillende procedures en vragen kennen. Ook is geen dringende reden voor het UWV gebleken om van terugvordering af te zien.
De Raad bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het hoger beroep af. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de terugvordering van de onverschuldigde WAZ-uitkering wordt bevestigd.