ECLI:NL:CRVB:2015:1597
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- R.E. Bakker
- G. van Zeben-de Vries
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens ontbreken toegenomen arbeidsongeschiktheid uit dezelfde ziekteoorzaak
Appellante, voormalig directiesecretaresse, ontving sinds 2002 een WAO-uitkering wegens psychische klachten. Na een fraudeonderzoek werd deze uitkering ingetrokken per 1 januari 2003. In 2010 meldde zij verslechterde gezondheid, waarop het UWV een aanvraag tot heropening van de uitkering weigerde omdat geen sprake was van toegenomen arbeidsongeschiktheid uit dezelfde ziekteoorzaak binnen vijf jaar.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat de toegenomen klachten niet medisch waren onderbouwd en dat de psychische klachten niet waren toegenomen. Appellante voerde aan dat ook somatische klachten, waaronder het Neuro Cardiogeen Syncope Syndroom, haar arbeidsongeschiktheid beïnvloedden, en dat het UWV en rechtbank haar medische stukken onvoldoende hadden meegewogen.
De Centrale Raad van Beroep onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat geen sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid uit dezelfde ziekteoorzaak. Het verzoek tot benoeming van een medisch deskundige wordt afgewezen. Wel wordt vastgesteld dat de redelijke termijn voor de procedure met ruim drie maanden is overschreden, geheel toe te rekenen aan het UWV, wat leidt tot een schadevergoeding van € 500,-.
De Raad bevestigt de aangevallen uitspraak, wijst het verzoek tot betaling van wettelijke rente af en veroordeelt het UWV tot betaling van de schadevergoeding. Proceskosten worden niet toegewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAO-uitkering en kent een schadevergoeding van € 500,- toe wegens overschrijding van de redelijke termijn.