Uitspraak
.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, een voormalig complexbeveiliger, is sinds februari 2011 arbeidsongeschikt door psychische klachten. Het UWV kende hem een loongerelateerde WGA-uitkering toe met een inschatting van 100% arbeidsongeschiktheid maar met een meer dan geringe kans op herstel, waardoor geen recht op de IVA-uitkering bestaat.
Appellant maakte bezwaar en voerde aan volledig en duurzaam arbeidsongeschikt te zijn, onderbouwd met medische verklaringen. De rechtbank Noord-Nederland verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat appellant zich niet had gehouden aan behandelmogelijkheden en dat de medische situatie niet als duurzaam kon worden aangemerkt.
In hoger beroep handhaafde appellant zijn standpunt, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV en de rechtbank terecht hadden geoordeeld dat er geen sprake was van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid. De Raad benadrukte dat de verzekeringsarts een concrete en deugdelijke inschatting van herstelkansen moet maken, wat hier was gebeurd.
De Raad concludeerde dat de medische situatie van appellant niet medisch stabiel of verslechterend was, en dat aanvullende therapie nog mogelijk herstel kan bieden. De overgelegde medische stukken in hoger beroep veranderden dit oordeel niet. Het hoger beroep werd daarom afgewezen en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de IVA-uitkering bevestigd.