ECLI:NL:CRVB:2015:1671
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging recht op WW-uitkering bij bereiken pensioengerechtigde leeftijd
Appellant kreeg bij besluit van 2 december 2011 een WW-uitkering toegekend tot en met 30 april 2014, onder voorbehoud dat zijn situatie niet zou wijzigen. Later besloot het UWV dat het recht op WW-uitkering eindigt bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, 65 jaar, en beëindigde de uitkering per 27 december 2012.
Appellant maakte bezwaar en voerde aan dat hem een recht op uitkering tot 2014 was toegezegd, waarop het bezwaar ongegrond werd verklaard. De rechtbank verwierp het beroep op het vertrouwensbeginsel omdat er geen ongeclausuleerde toezegging was gedaan.
In hoger beroep handhaafde appellant zijn standpunt, maar de Raad oordeelde dat het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt omdat de toezegging onder het expliciete voorbehoud stond dat de situatie niet zou wijzigen. Het UWV had de fout in de communicatie hersteld met een brief van 31 oktober 2012, waardoor appellant tijdig op de hoogte was van de wijziging.
De Raad bevestigde de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het recht op WW-uitkering eindigt bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd.