ECLI:NL:CRVB:2015:1675
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstand wegens gezamenlijke huishouding met wederzijdse zorg
Appellant vroeg bijstand aan en werd aanvankelijk toegekend. Het college trok de bijstand in omdat appellant sinds het overlijden van de echtgenote van R samen met R een gezamenlijke huishouding voerde met wederzijdse zorg. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep vernietigt dit oordeel voor de dag van overlijden van de echtgenote, omdat daarvoor geen feitelijke grondslag bestond.
De Raad bevestigt dat appellant en R gedurende de te beoordelen periode hun hoofdverblijf deelden en zorg voor elkaar droegen, zoals blijkt uit gezamenlijke huishoudelijke activiteiten en financiële verstrengeling. De subjectieve beleving en het motief van de betrokkenen zijn voor de WWB niet relevant.
De Raad oordeelt dat het college bevoegd was de bijstand in te trekken en dat het college dit in redelijkheid heeft gedaan. Het college hoefde appellant geen redelijke termijn te gunnen om zich aan te passen aan de gewijzigde situatie, omdat appellant op het moment van overlijden geen bijstand ontving en rekening moest houden met een andere uitkomst van bezwaar.
Ook is geen sprake van vooringenomenheid van het college. De Raad veroordeelt het college in de proceskosten en bepaalt vergoeding van het betaalde griffierecht.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot intrekking van bijstand op de dag van overlijden wordt vernietigd.